Reiken naar licht

Reiken naar licht

Lieve mensen van onze Heer Jezus Christus,

Het thema van vanavond is “reiken naar het Licht”. Reiken heeft iets van “op je tenen gaan staan omdat je iets graag wilt hebben”. Het heeft te maken met verlangen, met hunkeren. Onlangs was ik bij iemand die verstand heeft van bloemen. Ze had een amaryllis zó neergelegd, dat die bloem met z’n onderkant van de bol naar het raam lag. Ze vertelde dat je dan het prachtige effect krijgt, dat die bloem, als hij groter wordt, zich langzamerhand in de groei gaat omkeren, richting het licht. Want die bloem weet dat hij alleen kan groeien als hij dat doet richting licht. Dat is natuurlijk een rare uitspraak, want wat weet een bloem nou? Hoe “weet” een bloem nou dat hij zich moet omdraaien richting licht om te groeien? Instinct? Dieren hebben instinct. Intuïtie? Mensen hebben intuïtie. Een soort van innerlijk weten. Een bloem weet dat, zeg ik als christen, omdat het blijkbaar door God zo geschapen is: ik leef alleen als ik leef naar het licht.

In bijna alle kerststallen staan een os en een ezel afgebeeld. Hier heb je zo’n stal. Ik weet niet of het jullie wel eens is opgevallen, maar Lucas vertelt helemaal niet dat er een os en een ezel zijn bij Jozef en Maria en het kind Jezus. Jezus wordt in een voerbak gelegd, dát vertelt Lucas. Maar hij zegt niks over een os en een ezel. Waar komen die dan toch vandaan? Is het romantiek? Komt het misschien doordat Lucas het heeft over die voerbak?

Wie weet kennen sommigen van jullie de oplossing. Maar de os en de ezel komen uit een ander stukje uit de bijbel. Uit het boek Jesaja, daar komen ze vandaan, als er dít staat: 3Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn ​voederbak. Zo kunnen jullie de Heer ook kennen ”.  Die os en ezel komen als het ware vanuit het boek Jesaja zó bij Maria en Jozef én vooral bij het kind Jezus binnengewandeld.  Als een soort symbool: deze dieren weten intuïtief wie hun Schepper is, wie hun goede baas is. Ze zijn een soort wegwijzers voor ons, als mensen om de Schepper, onze lieve baas te vinden.

De koeien van Hans Eshuis schrikken niet als Hans eraan komt. Ze komen juist op hem af. Ze hebben hem leren vertrouwen. Dieren volgen hun instinct, hun innerlijk weten. In de loop van de tijd hebben ze leren ervaren, dat de boer, de herder betrouwbaar is.

De ezel en de os zijn eigenlijk hetzelfde als de bloem, de amaryllis. Ze weten, ergens diep van binnen, alsof de Schepper het ergens in hun bewustzijn heeft gelegd, wie de Heer, wie de boer is, wie het licht is. Van wie ze het moeten hebben en van wie ze zijn. Ze staan in het boek van Jesaja symbool voor innerlijk weten wie hun boer, wie de goede baas, wie de Schepper is.

Brengt de vraag in ons boven: hebben wij nou ook zo’n “innerlijk weten” naar de Schepper, naar God? Zoals de bloem weet dat hij naar het licht toe moet, wil hij leven, zoals de os en de ezel weten wie hun baas is. Ik denk het wel. Johannes heeft het erover, als hij deze zinnen opschrijft:

Johannes de doper was er om te getuigen van het licht:9het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. Want in Hem was Leven en het leven is het Licht voor de mensen. Zoals het licht het leven is voor de amaryllis, zoals de boer het is voor de ezel en os, zó is God dat voor ons mensen.

Maar het gekke is in dit hele verhaal, dat we dat niet automatisch zo ervaren. Dat ik wel kan zeggen “lieve mensen van onze Heer Jezus Christus”, maar dat we dat niet automatisch zo ervaren of zien. Dat geldt denk ik voor mensen die al heel lang naar de kerk gaan. Je voelt je helemaal niet altijd een mens van God. Soms voel je je misschien ver weg van Hem, of andersom, Hij ver weg van jou.

En het geldt misschien ook voor mensen die hier vanavond zijn en die misschien wel helemaal niks met God hebben, maar gewoon een keertje hier zijn. Je bent wel op het feest, je proeft iets van de sfeer, maar God zelf? Wat je daar mee moet? Opnieuw die vraag: hebben wij nu ook zo’n innerlijk weten, een verlangen naar God, zoals de ezel naar z’n voerbak wil, de os naar de stal, de amaryllis naar het licht? En waar zit dat dan?

Ik neem jullie mee naar iemand die heel lang geleden heeft geleefd en die enorm op zoek is geweest tijdens zijn leven naar… Naar wat eigenlijk? Ik denk dat hij het zelf niet precies wist toen hij op zoek was. Eerst maar zijn naam, Aurelius Augustinus. Hij leefde van 354-430 op verschillende plekken, maar het meest bekend is wel in Rome en in Algerije. Hij vertelt over zijn zoektocht in een boek, een soort dagboek dat nog steeds wereldwijd wordt gelezen “bekentenissen, belijdenissen”. Hij zoekt zin, zou je kunnen zeggen. Eerst in carrière. Hij is heel getalenteerd, intelligent, welbespraakt, een enorme redenaar. Daar verdient hij veel geld mee, zoals sommige mensen dat vandaag nog doen. Je hebt van die sprekers die vragen 6500 euro per uur en ze krijgen het ook nog. Daarna wordt hij filosoof. En als filosoof onderzoekt hij allerlei stromingen. Ook stromingen die wij vandaag ‘nieuwe spiritualiteit” noemen, maar die in feite ook al heel oud is. Op zoek naar…, op zoek naar wat? Hij is christelijk opgevoed, maar daar kan hij weinig mee. Het is hem te laag bij de gronds op een bepaalde manier. Te aards, misschien. Te eenvoudig?  Tot zijn eigen verbazing en op een bepaalde manier ook irritatie komt hij tóch terecht bij het christelijk geloof. Bij een kind in de kribbe…..  Een beetje een afgang vindt hij het wel: het verhaal van het evangelie was jarenlang iets dat hij te oppervlakkig vond. Lef, dat hij dan toch zichzelf niet te groot voelt om zich eraan over te geven. Een soort zelfoverwinning. Op je knieën voor een kind in de kribbe….. Ergens in dat beroemde dagboek schrijft hij “onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u”.

En, als hij omkijkt, dan zegt hij: dat verlangen, die onrust, die ik de hele tijd had, dat was eigenlijk al het verlangen naar U. Het verlangen, de onrust, is het begin van het geloof, het begin van de zoektocht, het begin van het vinden zelfs. Zoals de bloem onrustig wordt omdat ze niet met haar kelk naar de zon ligt en gaat kijken hoe ze dat kan realiseren. Zoals de ezel die ook al is hij ver weg in de wei, of misschien wel onderweg omdat hij iets moet vervoeren, van binnen een soort trek krijgt naar zijn voerbak. Zoals de os als hij aan het ploegen is op het veld van binnen weet: straks ga ik naar de stal en daar ben ik als een vis in het water. Zo is het verlangen, de onrust in een mens het begin van zoeken naar God. Reiken naar licht ís al geloof. Verlangen naar God, op zoek gaan is al een kiem van geloof. Achteraf, ik vind dat een fascinerende uitspraak, zegt Augustinus voedde God mij met honger. Dat verlangen in mij, het kwam van Hem. Hij was naar mij op zoek en wekte in mij de honger naar Hem.

Augustinus is niet de enige die het zo ervaart en beschrijft. Veel meer mensen, zoekers, uit de christelijke traditie zeggen dat. Hebben het zo ervaren. Het verlangen, het zoeken, zónder dat ik precies wist waar ik naar zocht, wat ik zou vinden, dát was al het begin van geloven. En toen ik het kind in de kribbe had gevonden, toen wist ik pas dat dát het was waar ik naar zocht. Pas toen ik een thuis had, wist ik pas waar ik al die tijd heimwee naar had…..

Wat is dan ons verlangen? Misschien wel dit. Ik denk dat ieder van ons een diep verlangen kent naar veiligheid, geborgenheid en onvoorwaardelijke liefde. Een plek in ons lijf, laten we het onze ziel noemen, die ons op zoek doet gaan dáárnaar. Laat ik als voorbeeld naast Augustinus de herders nemen. Ze zijn in de nacht aan het passen op de schapen. Mensen vinden in de dagen van Jezus van alles en nog wat van herders. En dat bedoel ik niet positief. Herders staan bekend als jatters, als onbetrouwbaar. Ze mogen bijvoorbeeld niet eens getuigen in een rechtszaak. Ze liegen toch altijd alles bij elkaar. Ruig volk.

Soms hebben wij nogal een ruwe bolster om onze blanke pit heen. Een flink harnas. Dat is ontstaan door het leven en door wat ze van je zeiden, van u zeiden van mij. Die blanke pit, die zoekt, die verlangt naar warmte, naar genegenheid, naar iemand, iets – wat is het – dat echt van je houdt. Soms ben je jezelf amper bewust van het feit, dat dat verlangen nog in je leeft, omdat er zó erg op je ziel is getrapt, dat je denkt: geluk en liefde zijn voor mij niet weggelegd. Herders zijn de eersten die in het donker het Licht van God zien. Dat donker mag je letterlijk nemen, dat het in de nacht is. Je mag het ook figuurlijk nemen. Omdat je zo gekwetst bent, dat je niet meer het idee hebt, dat er ooit iemand nog in jouw ziel zachtheid en licht en leven kan wekken. De boodschap van de engelen van het Licht is: voor jullie is heden de Heiland geboren, een kind in de kribbe. Of, heel aards vertaald: Jezus, het Licht van God, vindt jóu als mens de moeite van het komen op deze aarde waard. Met al je mooie dingen en je verrotte dingen, Hij komt. En ergens wil Hij in dát plekje wonen. Hij ontdooit je hart, hij verwarmt je hart met het meeste kwetsbare wat er bestaat: een baby. Beetje raar zeggen, maar als Hij ergens binnen komt op dat plekje, valt jouw leven ergens ook op z’n plekje. Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.

Johannes schrijft erover “het waarachtige licht, het échte licht, het authentieke licht van God de Schepper dat IEDER mens verlicht was komende en is komende in de wereld”.

Ieder mens. Dat is een stevige uitspraak. Ieder jaar lezen we in deze dienst vooral over de herders. Dat zijn mensen aan de onderkant van de samenleving. In het kerstverhaal dat een andere boekenschrijver over Jezus vertelt komen “wijze mannen” op bezoek. Die komen met dure cadeaus, wierook, mirre en goud. Zij zijn wat wij in onze menselijke hokjes noemen “de bovenklasse”. Dat zijn echt onze hokjes. God denkt niet zo, die ziet alleen maar mensen met een ziel, waar Hij graag wil laten merken dat Hij van ons houdt en dat Hij onze oorsprong is, zoals de boer dat voor de os en de ezel is. Maar het is goed om dat te benoemen. Herders zijn de eersten die het verhaal bij Lucas horen, wat wij de onderkant noemen, wijzen – wat wij de bovenkant van de samenleving noemen, zeg maar de Augustinussen van deze wereld – zijn de eersten die het verhaal bij Mattheüs horen. En als het waar is, dat God er voor ieder mens is, dan is het zinnetje: het waarachtige licht, het authentieke licht van je Schepper is komend in de Schepper. Als er in jou, u, mij verlangen is, reiken naar Licht, neem het heel serieus. Het is het verlangen van de os naar de boer, van de ezel naar de voerbak. Van jou, u, mij als mens naar God. Het komt van God zélf, dat verlangen. En als dat blijft groeien en die liefde komt bij je binnen, dan ben je als een os die in de stal thuiskomt, als een ezel die z’n voerbak vindt. En in die voerbak ligt het kind, de liefde van God voor je. Amen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.