Overdenking “Deel je verdriet, herinnering en je hoop!”

Lieve mensen,
We hebben drie stukken gelezen uit de bijbel. Op deze bijzondere zondag wil ik graag over alle drie wat zeggen.
Het eerste is het stukje over dat Jezus huilt bij het graf van zijn vriend Lazarus. Waar dit staat “Diep bewogen 34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon ook te huilen, 36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’ Ik wil daar dit over zeggen: ook al gaat misschien niet iedere dienst voluit over Jezus – vorige keer ging het bijvoorbeeld over David en Goliath – ergens draait het iedere dienst om Hem en over hoe Hij laat zien wie God is. Alle verhalen van Jezus wijzen maar één kant op: Hij zoekt mensen op die in het verdriet zitten. Voor wie het leven donker is geworden. Of dat nou komt omdat ze ongelukkig zijn in hun relatie, omdat ze ziek zijn of omdat ze door andere mensen al dan niet terecht met de nek worden aangekeken. Of dat het komt omdat het leven donker is geworden door de dood.
Hij doet dat, zo staat er, omdat Hij intens van mensen houdt en er buikpijn van krijgt – dat staat er letterlijk – als mensen niet gelukkig zijn. Als er staat dat Jezus huilt, dan is dat omdat zijn vriend Lazarus is gestorven. Ik wil dat “Jezus huilt” benadrukken. Het gekke is – daar kom ik zo wel op terug- is dat er nergens staat dat Jezus ergens lacht. Huilen dus wel. In de voorbereiding hebben we gesproken over de vraag of we vonden dat je hier, zo in de kerk, mag huilen. Dat roept voor sommigen wat spanning op, denk ik. Kan dat wel, met al die andere mensen erbij? Als we hier zijn op de plek waar we telkens de verhalen over Jezus, over God vertellen en aanhoren; .als het gaat over Jezus’ en Gods betrokkenheid, liefde bij onze levens en dat Hij er buikpijn van krijgt…., dan is, denk ik, het antwoord gegeven. Als je verdrietig bent…, als een lied, een gedicht, het aansteken van kaarsen, woorden die je hoort, stilte die valt tranen bij je oproept…., wees welkom. Ik bedoel niet dat het móet, we hoeven geen tranen te trekken, op te roepen, maar als dit een plek is waar Gods liefde onder ons is en als de Heer er zélf beroerd van wordt als Hij het verdriet van deze wereld ziet…., dan mogen we hier zijn zoals we zijn. Inclusief onze tranen.
Ik maak een stapje naar het volgende stukje uit Johannes 14, waar Jezus zegt
“141 Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. 2 In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken?”
Dat stapje zet ik omdat huilen niet het enige is, dat Jezus doet in de verhalen. Sterker nog, het evangelie van Johannes begint met een levenslustig verhaal. Een bruiloft tussen twee mensen. Dat vertelt Johannes bewust, want hij wil dat we denken aan de schepping, aan het begin. Hoe God mensen maakt voor in een tuin en om in die tuin gelukkig te zijn. Met God, met elkaar! Zó zijn we bedoeld, voor het geluk. Daarom is Jezus, is God ook telkens betrokken, verdrietig, waar het geluk hoe dan ook verdwijnt. Daar wil Hij wat aan doen. De lach moet terug! In het begin van zijn verhaal vertelt Johannes dat de wijn op is op de bruiloft. Wijn is teken van leven, van vreugde! Er is alleen nog water over. En water, dat staat in de bijbel symbool voor dreiging, voor chaos, voor verdriet. Voor dood. Verstoord geluk. Jezus maakt – zo vertelt Johannes – op de derde dag van water wijn. Derde dag…., dag van de opstanding. Van leven dat sterker is dan de dood. Dát is dus óók een tendens in heel veel van de verhalen over Jezus. Dat zijn betrokkenheid niet alleen zó is, dat Hij tot tranen toe bewogen is. Dat Hij er buikpijn van krijgt van alle ellende van de mensen. Maar ook dat Hij het vermogen heeft, de macht, om dat wat donker is om te buigen tot licht. Dat Hij sterker is dan de dood. Het einde van het evangelie van Johannes is dat Jezus samen met Maria van Magdala in een tuin is. En dat de dood overwonnen is, het graf leeg. Opnieuw wil Johannes ons met dat verhaal aan de schepping doen denken. En…., ook al staat nergens dat Jezus lacht, er staan enorm veel verhalen in over “feest en over vreugde”.
Aan deze verhalen ontlenen we de hoop, het vertrouwen, het geloof dat God sterker is dan de dood. En dat er ná dit leven nog méér en nog weer leven is. Bij God, geborgen in zijn liefde. Hier zegt Jezus “in het huis van mijn Vader zijn veel kamers….”. Er zijn diverse beelden waarin Hij spreekt over het leven ná dit leven. Hij kan ook zeggen tegen iemand – die moordenaar aan het kruis – “vandaag zul je nog met mij in het paradijs zijn”. Al die verschillende woorden geven aan: er is leven na dit leven en het zijn vertrouwenwekkende beelden. Een huis met kamers, een paradijs….. Het moet er goed zijn.
Het verbaast me iedere keer én het doet me goed als ik bij mensen die moeten gaan sterven dat vertrouwen zíe. Kijk, de meesten van ons hebben het geluk, dat we over ons levenseinde kunnen nadenken als iets dat ooit een keer zal gaan gebeuren. Maar als je in de situatie komt waarin je leven bedreigd wordt, het sterven misschien niet meer veraf is…., dan is het niet langer iets theoretisch, maar komt het wel heel dichtbij. En vaak verwondert het me dan, hoeveel rust mensen krijgen juist uit de woorden van God, de woorden van Jezus.
Vaak verbaast het me ook dat mensen die áchterblijven na het overlijden van een geliefde kracht krijgen vanuit hun geloof. Dat is één van de meest erge dingen, die je kan gebeuren in het leven, achterblijven na overlijden van je man, je vrouw, je kind, je vriendin, van je geliefde, je vader, moeder. Het leven dat nooit meer hetzelfde is als voor die tijd. Geloven is dan niet het wondermiddel waardoor je pijnloos door het leven gaat. Geloven is een bron van kracht, waaruit je kunt putten om die moeilijke weg te gaan. Net zoals mensen om je heen dat kunnen zijn. Want zonder mensen om je heen ga je het ook niet redden.
Ik maak de stap naar de brief aan de Hebreeën. Dit zinnetje “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij in bezit zou krijgen, en hij ging op weg zonder te weten waarheen.”
Het bizarre aan geloven is dat je in een God gelooft die je nog nooit gezien hebt. Wie weet houden wij elkaar hier voor de gek. Wie weet geloven miljoenen mensen al eeuwen in dikke onzin. Wie weet verdien ik mijn geld al 30 jaar met een luchtspiegeling en doe ik dat nog vol passie ook. Ooit – zo’n 1700 voor Christus – is een zekere Abraham op pad gegaan. Hij leeft dan in een tijd waarin mensen in allerlei goden geloven. Net als nu eigenlijk. Maar al die goden…., die zijn zichtbaar. Er is de wereld aan godenbeeldjes opgegraven uit zijn tijd. Een god is alleen een god als je die kunt zien. Haast vergelijkbaar met mensen die zeggen: iets is alleen waar als je het wetenschappelijk kunt bewijzen. In zijn dagen doet hij iets revolutionairs. Het is voor ons nauwelijks voorstelbaar dat het de wereld in die dagen op de kop is, maar dat is het echt. Hij zegt dat God niet te zien is, maar dat Hij zijn stem heeft gehoord en dat die God hem roept naar een land waar hij nog nooit is geweest en naar een manier van leven, die deze wereld beter zal maken. Minder donker, meer licht. Minder dood, meer leven. Minder haat, meer liefde. En die stomme Abraham óf die gelovige Abraham die gáát en hij waagt het met die stem. En tot op de dag van vandaag zijn er mensen die zeggen “ik geloof dat ik die stem ook hoor”. Er zijn mensen die zeggen: toen Jezus hier op aarde rondliep, toen hoorde ik die stem in zijn woorden……” Maar er zijn ook mensen die dat onzin vinden….. Hoe ook…, dat is het geloof. Een vreemde zekerheid is het. Een onzichtbare zekerheid.
Of het waar is….. Ik wil jullie tot slot een verhaal vertellen, dat ik nog wel eens vertel als ik bij mensen ben die dichtbij de dood zijn. Het is het mooiste verhaal dat ik ken. Er komt een man bij de dokter en de dokter zegt: “meneer, ik heb geen goed nieuws voor u. U hebt niet lang meer te leven.” De man vraagt aan de dokter: “dokter…, wat gaat er dan met mij gebeuren….” De dokter begint hem uit te leggen wat het verloop van de ziekte zal zijn, maar de man zegt: “dokter, dat bedoel ik niet…., wat gaat er met mijn na dit leven gebeuren, waar ga ik naar toe?” De dokter zegt: “ik ben de dokter…, niet de dominee….”. “Dat vind ik een flauw antwoord”, zegt de man, “ik weet van u dat u gelovig bent…, wat denkt u?” De dokter denkt na. Plotseling loopt hij naar de deur van zijn spreekkamer, doet die open en roept zijn hond binnen. De hond komt al kwispelend binnen en legt zijn kop tegen het been van de dokter die hem aait. “Kijk”, zegt de dokter, “mijn hond is nog nooit in deze spreekkamer geweest. Dat mag hij uiteraard niet, omdat het medisch-hygiënisch niet verantwoord is. Dus toen ik hem riep, wist hij niet waar hij terecht zou komen. Maar hij kwam wel, want hij vertrouwde mijn stem en hij vertrouwt mij als zijn baas. Zo is het ook met sterven: je weet niet waar je naar toe gaat, maar je kent én vertrouwt wel degene die je roept.”
Zoiets is het, lieve allemaal. Die stem, die al sinds Abraham klinkt, 3700 jaren. Die stem die hoorbaar en zichtbaar is geworden in Jezus. Die stem van de God van Abraham, van Jezus, die is betrouwbaar genoeg om onze geliefden die er niet meer zijn aan toe te vertrouwen. Ze zijn veilig in een land dat we nog nooit hebben gezien. En die stem is betrouwbaar genoeg voor ons om mee te leven. Om elkaar te troosten. Om te proberen ons leven en dat van elkaar wat lichter te maken, te dragen waar het moet. Om het visioen van deze wereld goed en vol vrede levend te houden. Amen.

Reacties op Facebook
Over de schrijver

Laat een reactie achter

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.