Ik ben de oudste broer van David

Ik ben de oudste broer van David, Eliab, zo heet ik. David is …gewoon mijn broertje, want tussen hem en mij zitten nog 6 broers. Ik ben 12 jaar ouder dan hij!

Misschien heb jij ook wel broertjes of zusjes. Als je de jongste bent, dan kijk je vaak op tegen je oudste broer of zus. Soms zeggen je vader en moeder misschien wel tegen je: ga maar mee met je oudste broer of zus, die past wel op je. Zo gaat het bij ons thuis ook. Mijn vader Isaï zegt vaak tegen mij, dat ik de oudste ben en dat ik daarom ook de wijste moet zijn. En vaak let ik op mijn jongere broers. Helemaal op David. Het is een mooie jongen, mooi rood haar. Mijn broertje.

eliab-1-van-1Soms, als we in onze stad, Bethlehem aan het spelen zijn als we kind zijn en er zijn jongens die ruzie willen maken met één van mijn broertjes zeggen ze: pas op, anders haal ik mijn grote broer Eilab erbij. En die is heel sterk! Dan voel ik een soort trots. Maar ik voel ook een soort van plicht: ik moet sterk zijn en goed op mijn broertjes passen.

Het verhaal dat ik jullie vandaag vertel vind ik eigenlijk een heel raar verhaal om te vertellen. Want het is nu zo anders, maar ik vertel het toch maar…… We hebben oorlog in ons land. Dat kennen jullie gelukkig helemaal niet in jullie land. Wees er maar blij om, want het is verschrikkelijk. Het is het domste wat mensen kunnen doen. Ruzie tussen mensen en tussen landen. En dat je het dan niet met woorden kunt oplossen, maar dat je elkaar gaat slaan. En erger nog: doodmaken.

Wij hebben oorlog met de Filistijnen. Wij vinden dat heel nare mensen, die anders leven dan wij. Bij ons volk, bij onze God, is het zo dat we proberen om de mensen die het moeilijk hebben te beschermen en te helpen. Bij hen is het andersom. Als je sterk bent, dan speel je mooi de baas en iedereen is bang voor je. Eerst de sterken en eigenlijk: jammer dat je zwak bent, pech gehad.

Het is weer oorlog. Zo erg. Ik ben met mijn twee jongere broers Abinadab en Samma in het leger. Mijn vader en moeder vinden dat erg. Ze vinden het mooi dat wij ons land mogen helpen, maar ze zijn ook gewoon bang, dat we niet levend thuis komen. Met z’n drietjes zijn we in het leger en ons leger is máchtig bang. De Filistijnen hebben nl. een soort reus. Niet een echte, want die bestaan niet, maar deze man is wel zo verschrikkelijk groot. Wel bijna drie meter. En die komt iedere morgen uit het legerkamp van de Filistijnen naar voren en die begint daar toch een potje te schreeuwen en te schelden. Wie durft er met mij te vechten?  Kom maar op als je durft! Als jullie vechter uit Israël wint, dan zijn jullie de baas over ons. Dan zullen we jullie God volgen. Maar als ik win….., dan zijn wij de baas en dan gaat het zoals wij willen in jullie land!

Koning Saul is heel groot, onze koning. Maar lang niet zo groot als Goliath. Hij durft niet. En ik…., waar ik in Bethlehem altijd mijn broers help, ik de oudste, ik de beschermer….., ik durf ook niet. Niemand van ons durft.

Kennen jullie dat gevoel, dat je hartstikke bang bent? Dat je hart in je keel klopt? Dat je het liefst wilt wegrennen? Of dat je zó bang bent, dat het net is alsof je versteend staat op de plek waar je staat? Zo is het bij ons allemaal. Onze harten kloppen als gekken, gaan te keer…..

Ja, daar moet ik even wat van vertellen, over “dat hart” van ons. Jullie spreken Nederlands. Dat doe ik vandaag ook even. Maar wij zijn Joodse mensen en wij spreken Hebreeuws. Ons woord voor hart is “lef”. En jullie hebben ons woord geleend in jullie taal. Als je iemand hebt die dapper is, dan zeggen jullie: die heeft lef! Die heeft een dapper hart. Maar ons lef, ons hart…. Is vol van angst. Wij hebben het lef niet om met Goliath te vechten.

En dan komt op een dag David ons leger binnen gewandeld. Mijn broertje…. Die ik altijd bescherm in Bethlehem. Hij komt van onze vader met wat lekkers én onze vader wil weten hoe het met ons gaat.

Maar nu gebeurt er dus iets geks. En eigenlijk schaam ik me daarvoor. David ziet die Filistijn staan en hij hoort wat hij allemaal uitbrult. Hoe hij ons volk belachelijk maakt en onze God ook. En David wordt boos en vraagt waarom niemand durft te vechten met die Filistijn. En eerlijk gezegd baal ik daar van: die snotneus…., ziet hij niet hoe groot die Filistijn is. Ziet hij niet, dat ik ook niet als oudste en grootste broer écht niet tegen deze man op kan. Ik maak dan ook ruzie met hem: hou je mond eens, jochie, wie denk je wel niet dat je bent…., we zijn hier met allemaal grote mannen….

Maar David is niet stil te krijgen en hij gaat zeggen dat híj met die Goliath wil vechten. Ik heb als herder ook met wilde dieren gevochten, ook wel met leeuwen. Die rotbeesten willen dan kleine lammetjes of zwakke schapen doden. Dat wil ik niet hebben, want als herder ben ik er voor alle beesten. Eigenlijk doet die gruwelijk grote Filistijn hetzelfde met mensen: de zwakke pakken. Dat doen we niet in Israël. Zo wil de God van Israël dat niet. Ik roep dan altijd de hulp van God aan en gek is dat, dan voel ik me rustig en dapper worden. Mijn hart, mijn lef, wordt rustig en ik krijg er steeds meer lef van, ik krijg er de moed en de kracht en het lef voor om met zo’n leeuw te vechten. Dus durf ik dat ook wel met die Filistijn.

Ik word er wat stil van…. Ik ben eigenlijk wel diep onder de indruk van het vertrouwen dat mijn broertje in God heeft. Ik zie hoe hij in de tent van Saul verdwijnt. Het duurt een tijdje voordat hij eruit komt. Idioot, denk ik bij mezelf….., hij heeft niet eens een harnas aan….. Hij gaat zo in zijn herderskleren af op die Goliath. Ik zie het al voor me dat ik straks naar vader Isaï moet…. Pappa, je zoon David is gestorven. Verslagen door een Filistijn. Ik zie het verdriet van mijn vader en moeder al. En ik hoor het stille verwijt…., maar jongen, Eliab, jij bent toch de oudste…., had jij niet beter voor je broertje moeten zorgen…. Mijn hart, mijn lev klopt in mijn keel.

Ik zie hoe David vijf gladde steentjes uitzoekt in alle rust. Vijf…., ineens snap ik het. Dat doet hij niet zomaar, vijf….. Vijf, dat zijn de vijf boeken van Mozes. Daarin staat wie onze God is. Daarin staan hoe Hij wil dat we leven. Dat we de zwakke beschermen. Hij zoekt zijn rust en kracht in vijf steentjes én in de bijbel. Ik ben helemaal verbaasd over mijn broertje. En dan stapt hij af op die Goliath, de brallende en brullende man. Zo zal hij ook wel eens op een brullende leeuw zijn afgestapt.

Nou ja…., jullie weten hoe bijzonder het is afgelopen. Hoe mijn broertje het won! Wat een lefgozer! Wat een dapper hart!

Als we een tijdje later thuis zijn en we zitten met elkaar allemaal aan tafel, allemaal levend, alle broers, vader Isaï en onze moeder én David, dan vieren we feest. En David vertelt dat God hem heel veel rust geeft en kracht in zijn hart. Waar haal je toch het lef vandaan om dit te doen? Bij God zegt hij….. die helpt mij om op te komen voor lammetjes, voor zwakke dieren én voor mensen extra hulp  nodig hebben. De Heer is mijn herder, zegt David. Dat is het geheim van mijn leven. En als hij het zo vertelt…, het nare gevoel dat ik gefaald heb als oudste broer…., het is weg. David leert mij een beetje te zien wie God is. Wat een bijzonder broertje heb ik…… Wat een lefgozer!

Reacties op Facebook
Over de schrijver

Laat een reactie achter

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.