Deel je hoop en je verdriet!

Lieve mensen van onze Heer Jezus Christus,

Van tijd tot tijd zie je bij grote sportevenementen mensenlangs de kant van de weg staan met een groot bord met een bijbeltekst erop: John 3:16. Daar staat dit “Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven…

Dat is inderdaad een heel sprekende tekst. Zeker op deze zondag waarop we een feest vieren van iets dat nog moet komen: deze wereld helemaal nieuw, vernieuwd, gerepareerd. Alle drie de grote feesten in de kerk gaan over iets dat al lang geleden is gebeurd. Kerst gaat over dat God de wereld zo lief heeft dat Hij als klein kind geboren wil worden, één van ons wil zijn. Pasen  gaat over dat God Jezus door de dood heen opwekt en dat het leven wint van de dood. Het gebeurt rond het jaar 30. Pinksteren gaat over dat het verhaal van Jezus dat rond het jaar 30 speelt op een klein plekje op deze wereld vervolgens over de hele wereld verteld wordt. Tot op de dag van vandaag, tot hier bij ons

Maar deze zondag van de voleinding gaat over iets dat nog moet komen. Laat ik het het “koninkrijk van God noemen”. Of “nieuwe hemel en nieuwe aarde” en dan niet, een andere hemel en een andere aarde, maar deze aarde nieuw. Refurbished. Hersteld, reset naar de oorspronkelijke instellingen van God, zoals Hij het bedoeld heeft: geen ziekte, geen honger, geen oorlog, geen dood, geen tranen. Dat is een enorm perspectief. Het is prachtig dat we het vieren en we moeten het ook vieren, want het barst van de hoop erin. En tegelijkertijd barst het ook van de spanning. Er gaat heel veel goed op deze wereld: liefde, delen, geluk. Maar we weten allemaal dat er ook machtig veel fout gaat en dat zoals de wereld nu is, die nog erg ver afstaat van “nieuwe hemel, nieuwe aarde.” Niemand van ons, denk ik, of je bent wel een enorme geluksvogel, heeft het nog nooit meegemaakt dat er een geliefde stierf of heel ernstig ziek werd. Niemand van ons, denk ik, of je bent wel een enorme geluksvogel, heeft nog nooit ruzie gehad in zijn of haar leven.

Niemand dus. Hier onder ons mensen is Goddank  ook vreugde over het goede van de schepping, geluk in je leven. En er is gemis, heimwee, pijn over alles wat kapot is, over wie we missen. Het hemd is altijd nader dan de rok:  het is mooi dat God de “hele wereld liefheeft”, maar u, jij, ik wij missen vooral die éne. Daarom is het goed dat we vandaag ook die andere tekst lezen uit Johannes 20. Willem Barnard, de dichter, die hier in Hardenberg als predikant is begonnen, zei ooit: er is een tekst die nog belangrijker is dan Johannes 3:16 en dat is Johannes 20:16. Daar staat dít: Jezus​ zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) Niet “alzo lief heeft God de wereld, maar hier “alzo lief heeft God Maria”.

Maria is ontzettend verdrietig. Dat komt doordat haar grote vriend Jezus is gestorven. Hij was haar vriend, voor haar het levende bewijs dat God er is en dat God een enorme vriend is van de mensen. Zo mild, zoals Hij haar leven weer op de rit heeft weten te krijgen, waar ze met zichzelf in de knoop had gezeten. Zo mild en hartelijk naar anderen. Door Hem gelooft ze in God en in het leven. Beide zijn voorbij, als Jezus wordt gedood door de Romeinen in overleg met de Joden.

Rouw is een immens zwaar ding. Het hoort o.a. bij mijn werk dat ik met mensen optrek die iemand verliezen. Iedere keer weer vind ik het spannend om te zien wat voor impact het heeft voor iemand als er een geliefde sterft. Een man, een vrouw, een vader, een moeder, een kind, een…. Je leven raakt ontwricht en in zekere zin sterft niet alleen die ene, maar sterft er ook een stukje of een stuk van jezelf. En is het wérkelijk een levenskunst, lévenskunst, om dan overeind te blijven. Nou ja, met vallen en opstaan verder te gaan. Tijd te nemen voor verdriet aan de ene kant, want dat móet wél. Loop je aan je verdriet voorbij, dan doe je jezelf tekort, dan kom je ook klem te zitten. Maar ook tijd te nemen voor dóórgaan, toch. Want jouw leven is niet voorbij, en anderen om je heen zijn blij dat jij er bent. En het zou écht erg zijn als je helemaal klem komt te zitten in het verdriet. Dan wint de dood 2x en dat is teveel eer voor de dood. Iemand vergeleek rouwen laatst met roeien op het kanaal als het heel hard waait. Je hebt dan aan de ene kant de roeispaan nodig van het verdriet om niet om te kieperen of in rondjes te blijven varen. Je verdriet vraagt om aandacht, je hebt luisterende oren nodig, er moeten tranen zijn. En je hebt aan de andere kant de roeispaan nodig van het gewone leven. Van toch voorzichtig proberen door te gaan. Eis niet van jezelf dat je prachtig recht roeit als je rouwt. Dat kán niet. Rouwen en roeien is heel hard werken. Soms heeft de rouw je aandacht nodig, soms het dagelijks leven. Maar zorg dat de rouw niet de overhand krijgt, want dan roei je in rondjes. Zorg ook dat je niet domweg doorgaat met je dagelijks leven, want op een zeker moment kom je dan ook jezelf tegen en roei je in rondjes.

Maria! Háár naam wordt geroepen. Niet “al zo lief heeft God de wereld gehad”, dat is zo massaal, zo onpersoonlijk zou je kunnen zeggen, maar nu háár naam “Maria”. Het verbaast me ook telkens weer, hoe vaak mensen óók zeggen, dat in zo’n proces van verdriet ze steun merken van God. Niet altijd, laat me daar ook helder over zijn. Soms stormt het zo hard op het kanaal van de rouw, dat God ver weg lijkt, net als de discipelen op het meer van Galilea doodsbang zijn als het keihard stormt midden in de nacht. Heel alleen kun je je soms voelen, ook zonder God. En dan is er toch soms dat onverwachte, dat mensen zeggen “ja, maar Hij is er toch bij, bij mij, Maria, of vul je naam maar in”. Onverwacht. Maria zit vast in het verdriet, overmand. En zo herkent ze Jezus niet en denkt ze dat het de tuinman is. Daar zit wel iets moois in. Schepping/tuin, reset, refurbished. In zekere zin kómt Jezus daar ook voor, de schepping herstellen, de tuin op orde maken, weer laten bloeien. Is hij de tuinman.

Mirjam heeft aan de kinderen – en wat mij betreft aan ons – verteld over de vernieuwde hemel en de vernieuwde aarde. Als je dat stuk leest in de bijbel dan wordt daar verteld van bomen die altijd bloeien. Geen winter, geen bladeren die afvallen, geen dood meer, alleen maar leven. Altijd bloeiende tuin. Een klassetuinman!

Maria hoort haar naam en ervaart, merkt Gods kracht en liefde door het verdriet heen en het doet haar enorm goed. Geeft nieuwe kracht, nieuwe hoop, dwars door tranen heen, dwars door dood heen. Dat,  lieve allemaal, is iets dat zo kenmerkend is voor God: de Schepper, die ons allemaal liefheeft, die in je leven wil komen als het bloeit, maar die ook in je leven wil zijn als er heel veel verdriet is. Maria….., Heer, U noemt mijn naam, U geeft mij nieuwe kracht…..

Bij “naam noemen” zijn we ook direct bij wat Jesaja schrijft “wees niet bang, Ik heb jou bij je naam geroepen, je bent van Mij, je hoort bij Mij”. Als je door een rivier moet gaan, ook al is het een doodsrivier, Ik zal bij je zijn en je er doorheen halen.” Jesaja zegt dat als de situatie van het volk Israël diep wanhopig is. Ze zijn gedeporteerd vanuit Israël naar Babylon. Alles lijkt uitzichtloos en hopeloos. Twee roeispanen…. Er is het verdriet én Jesaja gaat hoop bieden. Dat God er ook nog is en dat Hij mensen niet vergeet. En heel langzamerhand vatten de mensen moed daar in Babel. Sterker nog, op een zeker moment gaan ze weer terug, naar Israël, terug naar het land van God, terug naar geluk.

Wees niet té bang, Ik heb je bij jouw naam geroepen, je hoort bij Mij, en Ik bij jou. Straks noemen we de namen van mensen van wie we hielden. Namen van geliefden van 19 tot 90 jaar. We noemen hun namen met verdriet, met gemis. En we noemen ze met hoop, met vertrouwen. Waarom?   We hebben vanochtend hier bewust het doopvont neergezet. Bij het begin van het leven van alle 6 hebben de namen van alle 6 geklonken samen met de naam van God. Ik doop je in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Onze namen – God en jouw naam – zijn voor altijd met elkaar verbonden. Op leven en dood. En moet je op een zeker moment door het water van de dood heengaan, wees niet bang, Ik ben bij je, ik ken je naam, je hoort bij mij.

Er is verdriet. Er zijn vragen: 19 jaar, 42 jaar, dat is zo jong, zo wreed. 69 jaar…. Maar ook als je in de tachtig bent of in de 90…., je kunt elkaar toch nooit missen. En je begraaft ook geen leeftijd, maar je begraaft of cremeert je geliefde, je vader, je moeder…. Ik heb daar geen sluitend antwoord op. Geen woorden van troost waardoor het verdriet over is. Wat we wel hebben zijn herinneringen aan onze geliefden en die kunnen we delen. Daarom is het ook zo goed dat daarna ieder die iemand mist naar voren kan komen om een kaarsje te branden en te denken aan iemand of misschien wel meer die je nog steeds mist. En eigenlijk weten we het vaak wel van elkaar om wie we verdriet hebben. Delen van verdriet…., ergens in de bijbel schrijft Paulus als hij het heeft over hoe je samen een gemeenschap kunt vormen “wees blij met wie vreugde in z’n leven heeft, heb verdriet met wie verdriet heeft”.

Tegelijk is daarom het delen van het verdriet ook het delen van hoop. Want al die kaarsen – die 6 grote, die ene grote die we al aanstaken en al die kleintjes ontsteken we aan het Licht van de Paaskaars. Dat Licht vertelt dat God ooit, toen Hij deze wereld maakte, zei “er zij Licht, er zij leven, er zij geluk”. Dat Licht vertelt dat God ooit in Jezus op deze wereld kwam en dwars door het donker van de dood heen stierf, in de dood terechtkwam. En dat Hij op de derde dag opstond, sterker dan het donker en Maria bij haar naam noemde en nieuwe kracht gaf. Dat Licht geeft ons het vertrouwen, dat onze geliefden die stierven niet nergens zijn, maar geborgen in het Licht van God en dat ze het er góed hebben. Echt: goed! God weet hoe dat is, zij weten het, wij niet. Maar goed. En het Licht voorspelt dat deze wereld ooit een keer weer goed is. Reset, refurbished. Zo zijn we hier. In verdriet en hoop en we delen beide. Amen.

Reacties op Facebook
Over de schrijver

Laat een reactie achter

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.